Omgeving en gezondheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Beslissingen over omgeving hebben dan ook een impact op de fysieke en mentale gezondheid van de bevolking.
Die kan positief of negatief zijn en situeert zich op diverse vlakken. Zo kan een verbetering van de kwaliteit van het leefmilieu, door het tegengaan van milieuverontreiniging (zowel chemische, biologische als fysische; zowel lucht, bodem als water), de vermijdbare ziektelast en sterfte, (volgens ramingen van de Wereldgezondheidsorganisatie verantwoordelijk voor één op acht sterfgevallen in West-Europa) verminderen.
De aanwezigheid van voldoende groene ruimtes in de omgeving heeft een positieve impact op zowel het mentale als fysieke welzijn. Ook het tegengaan van de klimaatverandering staat niet los van het vergunningsbeleid en kan negatieve gezondheidsgevolgen significant verminderen. (zie o.a. de Lancet countdown on health and climate change). Dit vertaalt zich in breed gedragen concepten zoals Health in all policies (VN) en One health (WGO).
Ook de Vlaamse regering erkent en bevestigt dit in haar vorig jaar goedgekeurde gezondheidsdoelstelling milieugezondheidszorg. Hier lezen we als hoofddoelstelling: “tegen 2030 is er een gunstige tendens van de milieugerelateerde ziektelast van de Vlaming. We streven naar een gezonder leven voor de Vlaming door de impact te verlagen van de klimaatverandering, de blootstelling aan zeer zorgwekkende stoffen en van factoren die de leefomgevingskwaliteit bepalen zoals lucht- en geluidspollutie.“
Dat de impact op de gezondheid moet meegenomen worden in de beoordeling van een vergunningsaanvraag is een evidentie. Het eindrapport van de Gemengde Commissie Vergunningen bevestigt dit ook in advies 19.
Vandaag gebeurt dit via adviezen van diverse instanties aan de omgevingsambtenaren. Zo kunnen zij een correct en deskundig oordeel vellen over de gezondheidsimpact van het aangevraagde. Om de kwaliteit van deze adviezen te verhogen ondersteunen we zeker advies 18 dat vraagt naar voldoende capaciteit en willen we ook het belang van de horizontale samenwerking en de integrale benadering van de beoordeling van de aanvraag door de overheid benadrukken. Adviezen die de haalbaarheid en de doorwerking van adviezen kunnen hypothekeren (10, 11, 14) ondersteunen we niet gezien de advisering de enige weg vormt waarop de impact op de gezondheid op een deskundige wijze meegenomen kan worden in de besluitvorming. De wetenschappelijke kennis van de relatie tussen milieu en gezondheid, inzichten in de medische kosten en in de complexe impact op de sociale zekerheid kan je niet verwachten van de omgevingsambtenaar, de aanvrager of een politiek bestuur. Dat is een taak van de overheid en specifiek voor de administraties die met bundeling van expertises hierover deskundig kan oordelen.
Een ander typerend kenmerk met betrekking tot “het rekening houden met de gezondheidsimpact” in vergunningsbeslissingen is dat gezondheidsschade niet één op één aantoonbaar is. Je kan geen rechtstreeks verband aantonen tussen lozingen van kankerverwekkende stoffen en het persoonlijk risico op kanker. Dat maakt dat een persoonlijk en concreet bewezen belang aantonen wanneer het gezondheid betreft zo goed als onmogelijk is. Nochtans verwacht de commissie in haar adviezen dit wel van de indiener van een beroep. Door deze zienswijze kan de facto de gezondheidsschade geen argument meer zijn voor rechtspersonen of natuurlijke personen. We zijn dan ook niet akkoord met de adviezen 20, 24 en 25 en vragen de Vlaamse regering om beroepen op basis van gezondheid mogelijk te laten.
Iedere burger heeft het recht op een goede gezondheid. We hebben als maatschappij grote stappen vooruit gezet op dit vlak. Het streven naar minstens het behoud van dit niveau van gezondheid is expliciet vastgelegd in de Grondwet artikel 23 (2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand; 4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu). Dit is een basisrecht, maar niet absoluut in de interpretatie van de rechtspraak. In functie van het algemeen belang kan er wel degelijk van afgeweken worden, maar niet in functie van een individueel belang. Wij ondersteunen het basisrecht op een goede gezondheid en niet de mogelijke wijzigingen ervan zoals voorgesteld in advies 32.
Aansluitend bij het niet absolute karakter van artikel 23 bepleit advies 13 een integrale maatschappelijke afweging. Zoals hierboven reeds vermeld, zijn we voorstander van een integrale afweging. In het kader van de gezondheidsdoelstelling milieugezondheidszorg is er reeds veel werk verricht rond de concretisering hiervan. We adviseren de Vlaamse regering om, bij de beslissingen over wijzigingen in het vergunningenbeleid, hiermee rekening te houden.
Advies 13 bepleit dat die integrale benadering moet kunnen resulteren in een kostenbatenanalyse tussen verschillende meer- en minwaardes die het gevolg zijn van een vergunningsbeslissing: “Deze nieuw in te voeren bepaling maakt het juridisch mogelijk dat bij de beoordeling van het criterium niet alleen rekening gehouden wordt met de hinder voor de omwonenden en met de (on-)wenselijkheid van een vergunning in het licht van mogelijke hinder en maatschappelijke kosten, maar ook met de maatschappelijke, economische of sociale meerwaarde van de aanvraag. De aanvaardbaarheid van de hinder kan dus anders beoordeeld worden naargelang het project meer of minder maatschappelijke of sociaaleconomische meerwaarde heeft.”
Deze redenering is reeds door de Vlaamse regering gehanteerd m.b.t. pfas waarbij de kosten voor de aanvrager om vervuiling te voorkomen in de weegschaal moeten gelegd worden met de kosten van de maatschappelijke schade als gevolg van deze vervuiling. Het gezamenlijk advies van de SERV en MINA-raad over de wijzigingen aan het bodemdecreet vermeldde hierover reeds: “Wat betreft de afweging van milieu- en gezondheidseffecten, is het nodig om gezondheidskosten in kaart te brengen. De raden vragen in dit kader een debat over wat maatschappelijk aanvaardbaar kan bevonden worden als risico en als kost, inclusief een deskundige inschatting en kwantificering van die aanvaardbare gezondheidskosten en de verduidelijking wie die aanvaarde gezondheidskosten zal dragen.”
Indien de maatschappelijke waarde van een vergunning de gezondheidsschade overstijgt, kan het in een loutere kostenbenadering verantwoord zijn om deze vergunning toe te staan, maar dan moeten de kosten, conform het principe de vervuiler betaalt, berekend en aangerekend worden aan de vergunningsverkrijger en moet die vergoeding ook effectief ingezet worden om de schade te dekken waar de kosten zullen vallen, met name in de sociale zekerheid en de gezondheidszorg.