Zoekveld

Cijfersoverlay.png

Verso ontsluit arbeidsmarktcijfers uit de social profit

Onderwijs en vorming

Onderwijs en vorming

Afstuderen in een richting personenzorg in het beroeps of technisch secundair onderwijs geeft een grote kans op werk. Zo heeft bijvoorbeeld 89,7% van de afgestudeerden 7de jaar kinderzorg uit het BSO een jaar later een job, 93,3% van de zorgkundigen (7de jaar BSO), 84% van de verzorgenden (BSO) en 87,6% van de afgestudeerden sociaal-technische wetenschappen uit het TSO.

In het schooljaar 2015 studeerden er 1.600 bachelors verpleegkunde en 1.093 HBO5 verpleegkundigen af. Het aantal afgestudeerden binnen de bachelor verpleegkunde blijft groeien, maar het groeiritme neemt af: in 2012 waren er 12% meer afgestudeerden dan in 2011, in 2013 11% meer dan in 2012, in 2014 7,4% meer dan in 2013 en in 2015 waren er 3,9% meer afgestudeerden dan in 2014.

Het percentage medewerkers dat heeft deelgenomen aan een formele opleiding ligt in de ‘gezondheidszorg’ en in de ‘maatschappelijke dienstverlening’ hoger dan gemiddeld op de Vlaamse arbeidsmarkt: er namen respectievelijk 66,1% en 53,4% van de medewerkers deel aan een formele opleiding, tegenover 37,9% gemiddeld op de Vlaamse arbeidsmarkt.

De opleidingsparticipatie aan formele opleiding nam tussen 2010 en 2014 in de ‘gezondheidszorg’ (+13%) en in de ‘maatschappelijke dienstverlening’ (+11%) minder snel toe dan gemiddeld op de Vlaamse arbeidsmarkt (+17%), terwijl de sector ‘cultuur, ontspanning en sport’ wel een snellere opmars kende (+56%).

Een medewerker in de ‘gezondheidszorg’ kan gemiddeld genomen op jaarbasis maar liefst 31,8 uren opleiding (formeel en informeel) verwachten, wat ruim boven het Vlaams gemiddelde ligt (16,3 uren).

Deze cijfers worden twee keer per jaar geactualiseerd. De laatste update gebeurde in oktober 2017.

Schoolverlaters

In het jaarlijkse schoolverlatersonderzoek van de VDAB wordt een nauwkeurig totaalbeeld (o.a. door koppeling van de VDAB-bestanden met gegevens van departement onderwijs en Syntra) gegeven van alle schoolverlaters na een bepaald schooljaar (zie ook pagina 6 van dit document).

Per studiegebied en studierichting wordt een overzicht gegeven van de tewerkstellingskansen. Van alle schoolverlaters wordt nagegaan wie 1 jaar na het verlaten van de school nog als werkzoekend staat ingeschreven. Dit aantal vergeleken met het totaal aantal schoolverlaters, is het restpercentage. Bijvoorbeeld. 28,8% van de vrouwen die de school verlieten uit de richting DBSO-personenzorg, is een jaar later nog werkzoekend. Het complement (71,2%) is de kans op werk.

Social profit

We maken hier een selectie van de studiegebieden en -richtingen die nauw aanleunen bij de social profit (vooral gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening) en hier “redelijkerwijs” ook op aansluiten.

Hoe tabellen/figuren lezen?

De kans op werk voor een afgestudeerde verpleegkunde is nagenoeg 100% (98,8% voor HBO5 en 99,2% voor professionele bachelors verpleegkunde).

PDF
Excel

Opleiding

Voor de analyses van de opleidingsinspanningen in ondernemingen wordt een beroep gedaan op de gegevens van de ondernemingen uit de sociale balansen die bij de Balanscentrale van de Nationale Bank van België worden neergelegd. Enkel de sociale balansen die opgenomen zijn in de jaarstatistieken van de Balanscentrale worden weerhouden (ondernemingen met personeel in dienst en een boekjaar van 12 maanden omvatten). Vervolgens worden de nationale sociale balans gegevens geventileerd naar het gewestelijk niveau. Voor een gedetailleerde verdieping van de WSE-methodologie zie Soubron M. en Herremans W. (2014) “De Vormingsinspanning in Vlaamse bedrijven belicht . Een analyse op basis van gereionaliseerde sociale balansgegevens”, in : Over; Werk. Tijdschrift van het Steunpunt WSE, 24 (2), 80-88. Leuven , Acco.

Op basis van een koppeling op ondernemingsniveau met RSZ-data kunnen alle sectoren worden gedetecteerd waarin een bepaald bedrijf actief is. Het Steunpunt WSE baseert zich hiervoor op de werkgelegenheidscijfers van de RSZ per onderneming, opgesplitst naar Nace-sector van de verschillende bedrijfsvestigingen van die onderneming. Vervolgens wordt een proportionele verdeelsleutel toegepast om de sociale-balansgegevens van een onderneming die actief is in meerdere Nace-sectoren, proportioneel te verdelen over die sectoren, conform de spreiding van haar werknemerspopulatie in de RSZ-data. Op basis van een koppeling op ondernemingsniveau met RSZ-data worden de sociale balansgegevens van multiregionale ondernemingen proportioneel verdeeld over de gewesten, conform de spreiding van de werkgelegenheid voor die onderneming bij RSZ.

Volgende opleidingsindicatoren worden weerhouden:

De opleidingsparticipatie wordt bekomen door het aantal opgeleide werknemers te delen door het gemiddeld aantal werknemers tijdens het boekjaar. Opmerking: deelname aan formele of informele opleiding wordt in de sociale balans afzonderlijk geregistreerd en eenzelfde werknemer kan tijdens een boekjaar zowel hebben deelgenomen aan formele als informele opleiding. Om dubbeltellingen te vermijden, kan de opleidingsparticipatie daarom enkel berekend worden voor de opleidingsvormen apart.

Een tweede indicator drukt de opleidingsuren uit in percentage van de gewerkte uren. Deze indicator drukt met andere woorden uit hoe groot het aandeel van de totale werkduur is dat wordt besteed aan opleiding van werknemers.

De gemiddelde opleidingsduur zet het aantal gevolgde opleidingsuren af tegenover het aantal deelnemers in de vormingsondernemingen. Opmerking: deelname aan formele of informele opleiding wordt in de sociale balans afzonderlijk geregistreerd en eenzelfde werknemer kan tijdens een boekjaar zowel hebben deelgenomen aan formele als informele opleiding. Om dubbeltellingen te vermijden, kan de gemiddelde opleidingsduur daarom enkel berekend worden voor de opleidingsvormen apart.

De jaarlijkse opleidingsverwachting wordt bekomen door het aantal gevolgde opleidingsuren te delen door het gemiddeld aantal werknemers tijdens het boekjaar. Deze indicator geeft dus een aanduiding van hoeveel opleiding een werknemer gemiddeld genomen op jaarbasis kan verwachten.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen formele en informele opleiding:

Onder formele opleidingsinitiatieven vallen de door lesgevers gegeven cursussen en stages die gekenmerkt worden door een hoge graad van organisatie door de opleider of opleidingsinstelling. Ze worden georganiseerd in een duidelijk van de werkplek gescheiden lokaal en richten zich tot een groep cursisten. Vaak wordt er een attest uitgedeeld om aan te tonen dat de opleiding gevolgd werd.

De informele opleiding wordt gekenmerkt door een hoge graad van zelforganisatie door de cursist(en). De tijd, plaats en inhoud worden bepaald door de individuele behoeften van de cursist. De opleidingen houden rechtstreeks verband met het werk en de werkplek

Social profit

De WSE-raming voor het Vlaams Gewest werd opgesplitst naar een reeks Wav-sectoren gebaseerd op de NACE-classificatie (2008). Er zijn 3 'sectoren', die nauw aanleunen bij de activiteiten in de Vlaamse social profit: menselijke gezondheidszorg (nace 86), maatschappelijke dienstverlening (nace 87-88) en kunst, amusement en recreatie (nace 90-91-92-93).

Hoe tabellen/figuren lezen?

In 2014 namen 66,1% van de medewerkers in de gezondheidszorg deel aan een formele opleidingen, tegenover slechts 37,9% op de Vlaamse arbeidsmarkt.

PDF
Excel
Methodologie